Best of both worlds

Temporary structure for a homeless piece of art                                                                                                    

Voor Tom Woestenborghs

De situatie

De situatie gaat als volgt. Twee gebouwen, twee types van residenties, twee types van residenten. Op dezelfde stedelijke site, twee verschillende werelden, gescheiden door een ontastbare muur. En nu sta je hier, aan de ingang van deze residentie-in-meervoud, waar een benadeelde en een middenklasse, inboorlingen en vreemdelingen, elkaar aanblikken en in stilte denken: ‘Wie zijn ze? Wat doen ze? Waar komen ze vandaan?’ Universele levensvragen in de derde persoon meervoud.

Hoe symbolisch het dan ook geweest zou zijn om de ruimte tussen deze blokken te bezetten, die lege groene zone, het stilzwijgende vacuüm. Uitgenodigd, om dan, tegen wil en dank, verdreven te worden, verbannen uit dit no man’s land, in de marge van deze site, aan de ingang – of de uitgang. Een non-plaats, binnen noch buiten, een soort van troostprijs. Nog steeds binnen het stadsbeeld, in de zogezegde publieke ruimte, maar ook op het privéterrein van grondbezitters met subtiele strategieën, een kleine macht en geijkte meningen.

Gastvrijheid

Gastvrijheid begint (is altijd al begonnen) bij een ongevraagde aanwezigheid, een antwoord op een spontaan verzoek van de ander. Haar natuur kan onmogelijk gedefinieerd of afgebakend worden aangezien ze elk bestaand begrippenkader overschrijdt. Als een constante eis gaat de gastvrijheid elke logica van wederkerigheid te buiten, beheerst door gemeenplaatsen als ‘voor wat hoort wat.’ Haar generositeit is onvoorwaardelijk. Gastvrijheid is de nulgraad van menselijkheid, zoals Kristeva ergens neerschrijft.

Tegelijk wordt deze grenzeloze, ethische eis ook beperkt door een eindige, economische huishouding, door de bestaande infrastructuur, etc., iets wat we ‘thuis’ noemen. Ook deze mogelijkheid om onderdak te verlenen is een voorwaarde voor gastvrijheid. En hier sluipt de macht binnen. Economisch eigendom zet vaak net de grenzen uit waarbinnen gastvrijheid zich ontplooit, en waar de ander een vaste plaats krijgt op het privé-eigendom. Zo komt ook stilaan de rolverdeling tussen het zelf en de ander, gastheer/-vrouw en gast, tussen binnen en buiten aan de oppervlakte. Nochtans blijft het verschil tussen wonen en verblijven, tussen deze twee types van resideren, steeds erg onstabiel.

De kunstenaar

En dan is er de kunstenaar. De kunstenaar intervenieert in een specifieke stedelijke context, en treedt zo binnen in het territorium van anderen. Niet als een indringer of belager, noch als een parasiet, maar als een gast. Iemand die op bezoek is voor onbepaalde tijd, en enkel een subtiel geheugenspoor nalaat, in de vorm van een verhaal of een anekdote. Hier en nu is de kunstenaar aangewezen op de gastvrijheid van zowel de autochtonen als de inwijkelingen, gewapend met niets meer dan een fototoestel en een paar woorden (zeker geen boodschap). Hij eist niets, verlangt niets, legt niets op. Hij heeft geen eigen plaats. In het algemeen gesproken is hij geïnteresseerd in het dagelijkse leven, in haar ongrijpbare, onnavolgbare complexiteit. Hij tracht haar bloot te stellen door verschuiving, door het alledaagse op zichzelf terug te plooien of binnenstebuiten te keren. Als het ware. Voorwerpen, de stille getuigen van het dagelijkse leven, zijn het medium dat deze kunstenaar verkiest.

De artistieke geste is van een tijdelijke, voorlopige aard. Het bestaat steeds maar voor het moment, het is nauw verweven met het heden. De kunstenaar tracht dit gegeven te beantwoorden met een ander gegeven, met een geschenk. Zijn aanpak lijkt op wat De Certeau als ‘tactiek’ omschreef, als een ‘kunst van de zwakkeling’:

“Men moet waakzaam gebruikmaken van de achterpoortjes die concrete situaties openen in het toezicht door de eigenaars. [Tactiek] creëert gaten. Ze zorgt voor verrassingen. Men kan daar zijn waar het het minst verwacht wordt. Het is een doordachte list.” (L’Invention du Quotidien)

 

– PV